Het boek greep mij aan. Of beter gezegd: zij grepen mij aan, Liss en Sally. De twee vrouwen om wie het draait in het verhaal. Sally is jong, boos, levendig en op de vlucht. Liss is ouder, gelaten en op haar manier ook op de vlucht.

Het speelt zich af op het Duitse platteland. Een boerderij en een dorp waar het moderne leven nog geen grip op heeft. Op het moment dat Liss vast komt te zitten met haar tractor ziet ze een meisje haar tegemoet lopen.

Toen ze weer opkeek, moest ze met haar hand haar ogen beschermen tegen de al brandende zon. Het land was weids. De rivier lag daar als een glanzende ceintuur, zo ver het oog reikte. Ze was vrij, zei ze tegen zichzelf. Ze kon gaan waar ze wilde. Nog één keer trok ze uit alle macht aan de geblokkeerde dissel. Toen zag ze het meisje over de landweg haar kant op lopen.

Sally begeeft zich op de landweg omdat ze is weggelopen van de kliniek. Mensen begrijpen haar niet. Waar ze heen wil weet ze niet.

Sally zag de vrouw pas toen ze opkeek. Groot. Slank. In een blauwe… wat was het? Een werkjurk? Het leek een beetje op zo’n overall… Hoe heette zo’n ding? Een soort van ketelpak. Blauw, maar dan een jurk. En ze had een hoofddoek omgeknoopt. We zijn op het platteland. Supervet

Het verhaal is mooi geschreven. De personages komen tot leven door de sterke emoties en zintuigelijkheden. De woede, de verwondering, de honing en de peren. Ik kon het voelen en proeven.

De kern zou ik samenvatten als: ook mensen hebben de juiste grond nodig om te groeien.

Aanrader 🙂